Geschiedenis Afghanistan | Print |  E-mail

Afghanistan kent een turbulente geschiedenis, waarvan de burgeroorlog (1979-2001) maar één van de periodes van conflict was. Door de eeuwen heen zijn veroveraars en verschillende volkeren naar en door Afghanistan getrokken (de zijderoute liep via Afghanistan) en velen hebben zich in het land gevestigd. Hierdoor zijn invloeden van verschillende beschavingen in Afghanistan terug te vinden.

Het gebied dat nu Afghanistan heet, was eens een belangrijk centrum van boeddhistische cultuur. De Islam deed aan het eind van de 7e eeuw haar intrede in Afghanistan. Het land wordt thans bewoond door etnische groeperingen van diverse afkomst, waarvan de belangrijkste zijn: de Pashtun, Tadzjieken, Hazara's, Oezbeken en Turkmenen. Vanaf 1747 is de stam van de Durrani-Pashtun heerser over het grootste deel van het toenmalige emiraat Afghanistan.

De grenzen van het huidige Afghanistan ontstonden na twee Anglo-Afghaanse oorlogen aan het einde van de vorige eeuw. De oostgrens met het toenmalige Brits-Indië werd in 1893 bepaald door de Durand-overeenkomst. Een probleem met Pakistan betreft de kwestie Pashtunistan: als gevolg van deze overeenkomst loopt de grens tussen Afghanistan en Pakistan thans nog steeds midden door het Pashtun-gebied aan de weerskanten van deze gemeenschappelijke grens.

De Afghaanse samenleving is grotendeels langs etnische en tribale lijnen georganiseerd. In l964 kreeg Afghanistan een nieuwe liberale grondwet. In de periode daarna werden marxistische, nationalistische, liberale en radicaal-islamitische partijen actief in Kaboel. In l973 werd koning Mohammed Zahir Shah verdreven door zijn neef, luitenant-generaal Mohammed Daoud, die van Afghanistan een republiek maakte en zelf president werd. Toen de linkse Democratische Volkspartij (DVPA) in l978 aan de macht kwam, werd Daoud vermoord. De leiding van het land kwam in handen van een revolutionaire raad onder leiding van Nur Mohammed Taraki, die nauwe banden onderhield met de Sovjetunie en fel stelling nam tegen een rurale interpretatie van de islam. Dit leidde tot een tegenreactie onder de islamitische bevolking. Islamitische strijders (mudjahedin) begonnen een gewapende strijd tegen het bewind. Toen het regime Taraki de controle over het land dreigde te verliezen, nam Hafizollah Amin in 1978 de macht over, en begon zich enigszins van de Sovjetunie te distantiëren. Taraki werd in augustus l979 vermoord.

Een incident eind december l979, waarbij een Pashtun-kapitein Sovjet-adviseurs zou hebben gedood, vormde de directe aanleiding tot een reeds eerder voorbereide inval van Sovjettroepen in Afghanistan. President Amin kwam daarbij om het leven en werd opgevolgd door Babrak Karmal. In l981 bevonden zich circa 100.000 Sovjettroepen in Afghanistan. Verschillende islamitische mudjahedin-groeperingen bevochten (met westerse en Pakistaanse steun) de Sovjetbezetters. In l980 richtte Mohammed Najibullah de gevreesde geheime dienst van het leger, de KHAD, op. In l986 schoof Najibullah Babrak Karmal terzijde, waarna hij zichzelf tot president uitriep.

In februari l989 trokken de Sovjettroepen zich terug, na lange moeizame onderhandelingen en onder grote binnen- en buitenlandse druk. De oorlog had in totaal aan circa anderhalf miljoen mensen het leven gekost en circa vijf miljoen Afghanen doen vluchten, vooral naar de buurlanden Pakistan en Iran. Velen, onder wie Hezb-i-Islami leider Gulbuddin Hekmatyar, hadden al voor de Sovjet-invasie in l979 hun toevlucht gezocht in Pakistan.

Het communistische bewind hield nog tot april l992 stand, toen de mudjahedin-troepen van de generaals Massoud en Dostum Kaboel veroverden. Het vertrek van de Sovjet-troepen had al tot bittere gevechten tussen Afghaanse verzetsgroepen geleid. Zij hadden zich tot dan toe politiek nooit verenigd. Vooral Pashtun groepen waren onderling zeer verdeeld. De oorlog ontaardde in een strijd om de hoofdstad Kaboel tussen de Hezb-i-Islami en de Jamiat-e-Islami, hetgeen de uiteindelijke verwoesting van grote delen van de stad tot gevolg had.

Na de val van Najibullah werd een interim-regering geformeerd. Een raadgevende vergadering koos Burhannudin Rabbani tot president. Verschillende mudjahedin-groeperingen, waaronder de Hezb-e-Islami van Hekmatyar en troepen van Dostum, keerden zich tegen de regering-Rabbani, hoewel Hekmatyar wel tot premier was benoemd.

Het noordwesten van Afghanistan bleef onder effectief gezag staan van Dostum. De regering-Rabbani voerde gezag uit over het overige Afghaanse gebied, met uitzondering van het zuidoosten, waar lokale Pashtun strijdheren en drugsbaronnen elkaar naar het leven stonden.

In het najaar van l994 begonnen de Taliban1 aan hun opmars in Afghanistan. Zij veroverden het zuiden van het land en in september l996 ook Kaboel. Pakistan, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten gingen als enige landen in 1997 over tot erkenning van het Taliban-bewind. De zetel van Afghanistan in de VN werd nog door een vertegenwoordiger van de afgezette president Rabbani ingenomen.

De Taliban namen feitelijk de plaats in van de elkaar bestrijdende mudjahedin groeperingen, waarbij zij ca. 95% van het grondgebied van Afghanistan (inclusief de hoofdstad Kaboel) in handen hadden. De overige, merendeels etnische, minderheidsgroeperingen in het noorden van het land en de verdreven regering van Rabbani verenigden zich in het United Islamic Front for the Salvation of Afghanistan tegen de Taliban en hielden gebieden in het noorden van Afghanistan in handen.

Na de aanslagen in New York en Washington van 11 september 2001 kwam het Taliban-bewind onder sterke VS-druk te staan om de aanstichters van de terreuraanslagen, o.a. Osama bin Laden, uit te leveren. Nadat de Taliban weigerden hieraan mee te werken volgden zware VS-bombardementen. Na enkele weken strijd viel het Taliban-bewind.

Tijdens de Bonn-conferentie (december 2001) werd een akkoord bereikt over een interim-administratie, o.l.v. de pro-westerse Hamid Karzai, en de stationering van een internationale vredesmacht (ISAF-International Security Assistance Force). In juni 2002 werd een zogenaamde ‘Loya Jirga’ georganiseerd die een transitieregering aanwees, wederom onder leiding van Karzai. In januari 2004 nam de Constitutionele Loya Jirga, met vertegenwoordigers uit het hele land, een nieuwe grondwet aan. Deze verklaarde Afghanistan tot een islamitische republiek en is tamelijk vooruitstrevend. Volgens het Bonn-Akkoord moesten in 2004 de eerste democratische verkiezingen worden gehouden. De presidentsverkiezingen werden op 9 oktober 2004 gehouden. President Karzai werd in 2004 verkozen. Zijn kabinet vanaf december 2004 was een relatief schoon kabinet van technocratische personen. De verkiezingen voor parlement en provinciale raden vonden in september 2005 plaats. Het parlement bestaat uit individuele vertegenwoordigers, onder wie ook veel krijgsheren. De nieuwe regering, die Karzai begin 2006 aan het parlement voorstelde, is wederom een gematigd en enigszins technocratisch kabinet.

De VN speelt sinds 2002 een belangrijke rol bij de wederopbouw en de ontwikkeling van de politieke agenda, onder leiding van de United Nations Assistance Mission to Afghanistan (UNAMA). Daarnaast is een belangrijke rol weggelegd voor de VN-vredesmacht ISAF, vooral vanwege de aanhoudende onveiligheid in grote delen van het land. De Afghaanse overheid krijgt een steeds grotere rol in de coördinatie van de wederopbouw. Bij een internationale conferentie in Berlijn (voorjaar 2004) heeft de internationale gemeenschap in totaal USD 8,2 miljard aan steun toegezegd voor 2004-2006. Bij een soortgelijke conferentie op 31 januari en 1 februari 2006 in Londen heeft de internationale gemeenschap nieuwe afspraken over samenwerking, voor 5 jaar, gemaakt met de Afghaanse overheid, in het Afghanistan Compact. Donoren zegden daarbij ca. USD 10 miljard toe. De monitoring van deze afspraken vindt plaats door een Afghaans-internationaal orgaan, de Joint Coordination and Monitoring Board (JCMB).

Het jaar 2006 werd gekenmerkt door een heropleving van de Taliban, die zich vooral uitte in een opstand in het zuiden van het land. ISAF nam het commando van Zuid- en Oost-Afghanistan over van de door de VS geleide Operatie Enduring Freedom en voert nu het commando over heel Afghanistan. Ondanks militaire successen lukte het de Afghaanse en internationale veiligheidstroepen nog niet die gebieden te stabiliseren. President Karzai richtte de Policy Action Group op, waarin de Afghaanse regering met de interantionaleinternationale actoren actief in het zuiden overlegt over pacificatie van het gebied. Nederland heeft tot 1 mei 2007 het regionale commando over de ISAF troepen in het zuiden.
Nederlandse Militairen naar Afghanistan

Het kabinet heeft op 22 december 2005 besloten ongeveer 1200 tot 1400 Nederlandse militairen in te zetten in het zuiden van Afghanistan. Een meerderheid in de Tweede Kamer heeft op 2 februari 2006 ingestemd met de uitzending van de militairen.

Op 19 april 2006 maakte het kabinet bekend tussen de 1400 en 1600 militairen uit te zenden naar het zuiden van Afghanistan. De veiligheidssituatie in de provincie Uruzgan is 'aanzienlijk verslechterd'.

De hoofdmacht van de Taskforce Uruzgan is op 4 juli 2006 naar Afghanistan vertrokken. De Taskforce zal in totaal uit 1400 militairen bestaan.

Op 31 juli 2006 is het bevel over de zuidelijke provincies van Afghanistan officieel overgedragen van Operatie Enduring Freedom naar ISAF. Daarmee begon de derde fase van ISAF. De overdracht vormde ook de formele start van de Nederlandse missie in Zuid-Afghanistan.

In mei 2007 wordt Mullah Dadullah, de leider van de Taliban gedood in gevechten met strijdkrachten van de VS en Afghanistan. In april 2008 spreken in Boekarest Navo-leiders uit dat de missie in Afghanistan topprioriteit heeft. In Kaboel is er in juli 2008 een bomaanslag op de Indiase embassade, er vallen 40 doden.

(Bron: landenweb.net)